|
1. De kaartDe kaart wijkt op vijf punten af van de werkelijkheid:
Het beeld is verkleind opdat we een handzaam vel papier overhouden om mee te nemen. De schaal geeft aan in welke verhouding het beeld verkleind is. Wandelkaarten zijn vaak schaal 1:25.000; wat wil zeggen dat 1 cm op de kaart overeenkomt met 25.000 cm ofwel 250 meter in de werkelijkheid. Autokaarten hebben een veel kleinere schaal, bijvoorbeeld 1:500.000 (1 cm komt overeen met 5 km). De werkelijkheid is op een autokaart kleiner afgebeeld, omdat de kaarten anders te groot en onhandelbaar zouden worden en omdat details minder belangrijk zijn. Alhoewel het aardoppervlak onderdeel is van een bol en het landschap vaak gekenmerkt wordt door bergen en dalen, wordt het op een kaart in het platte vlak weergegeven. Om dit weer te geven op een (platte) kaart worden correcties toegepast en symbolen gebruikt. Hierop wordt in hoofdstuk 2 en in hoofdstuk 11 nader ingegaan. De grote verscheidenheid aan wegen, gebouwen, bomen en dergelijke is op de kaart vereenvoudigd tot een beperkt aantal standaardsymbolen. Wegen, spoorlijnen en rivieren zijn op de kaart breder weergegeven dan ze op grond van de schaal zouden mogen zijn. Lijnen van de juiste breedte zouden echter niet te zien zijn. Bedenk dat een weg van 5 meter breed op een 1:25.000-kaart slechts 1/5 mm breed zou mogen zijn. Een weg met veel bochten staat op de kaart rechter dan in werkelijkheid, omdat de bochten die over een afstand van 25 m kunnen voorkomen niet meer op 1 mm van de kaart kunnen worden getekend. Een kaart is per definitie verouderd. Tussen de verkenning van het landschap door de cartografische dienst en het drukken van de kaart ligt vaak een periode van drie jaar. Het verkennen van een gebied is een zo omvangrijke klus, dat dit maar eens in de tien jaar gebeurt. In de tussenliggende periode kan er veel veranderd zijn. Zandwegen kunnen inmiddels verhard zijn of loofbossen zijn door bosbouw vervangen door naaldbos. In de praktijk is er met een oudere kaart goed te werken als we maar in ons achterhoofd houden dat de wereld voortdurend verandert. In tegenstelling tot voorgaande punten is de toelichting van een kaart een verrijking. Politieke grenzen bijvoorbeeld, zijn in werkelijkheid vaak niet te zien. Of een gebied moerassig is, is op een kaart duidelijker te zien dan op een luchtfoto. De toelichting wordt in de vorm van symbolen of afkortingen in de kaartgezet. Uitleg hiervan staat in de legenda die naast de kaart gedrukt is. Naast de kaart staat verder veel informatie die voor het werken met een kompas noodzakelijk is. (Zie hoofdstuk 8). |
|||||||||||||||||||||||||||||