Kaart en Kompas
1. De kaart
2. Hoogte
3. Het kompas
4. Kaart op het noorden leggen
5. Het bepalen van de koers
6. Het bepalen van de positie
7. Hoekmeting
8. Miswijzing corrigeren
9. Van de kaart naar het terrein
10. Van het terrein naar de kaart
11. Projectie
12. UTM vierkantennet

2. Hoogte

Alle kaartsymbolen die met hoogte te maken hebben zijn op het land in bruin en op water en sneeuw in blauw gedrukt. De meest gangbare wijze om hoogteverschillen op een kaart weer te even is door middel van hoogtelijnen. Hoogtelijnen verbinden punten van gelijke hoogte met elkaar.

Denk om een voorstelling te maken van hoogtelijnen aan het volgende:

  • Stel dat we een dal tussen de bergen vol laten lopen met water. Omdat de waterspiegel waterpas loopt zal de rand van dit nieuwe meer alle punten op de berghellingen verbinden die op dezelfde hoogte liggen. Deze rand is dus een hoogtelijn;
  • Een pad dat op gelijke hoogte blijft lopen, ligt in het kaartbeeld evenwijdig aan de hoogtelijnen;
  • Water stroomt altijd loodrecht op de hoogtelijnen.

Het hoogteverschil tussen twee hoogtelijnen op de kaart bedraagt op de Belgische stafkaarten vijf meter. Hoe dichter twee lijnen bij elkaar staan, des te steiler is het gebied tussen de lijnen.

Bij bergtoppen en kerktorens staat vermeld wat hun hoogte is ten opzichte van zeeniveau. Om het bepalen van de hoogte op andere plaatsen te vereenvoudigen, zijn op gelijke afstanden de hoogtelijnen dikker getekend en van een getal voorzien. Daarbij zijn de getallen zo geplaatst dat je ze ‘bergop’ kunt lezen, net zoals je ze op een berghelling zou schilderen.

Als typische hoogteverschillen te klein zijn om met hoogtelijnen weer te geven, worden valstrepen gebruikt. Dit zijn korte streepjes die naar beneden wijzen.

Valstrepen

Ga naar vorige pagina Ga naar volgende pagina