|
|
5. Het bepalen van de koers
Indien je op de kaart hebt bepaald waar je bent (de standplaats) en in welke richting je verder wil (het doel), dan kun je met behulp van het kompas deze richting overbrengen naar de natuur.
Volg voor het bepalen van je koers de volgende stappen:

- Leg het kompas zo, dat de aanlegkant van het kompas de standplaats en het doel verbindt
- Zorg ervoor dat de richtingspijl van het kompas naar het doel wijst.
- Draai het kompashuis zover dat het noordteken naar het kaartnoorden wijst en de noord/zuid-lijnen parallel lopen aan een verticale lijn van het vierkantennet.
Je hebt nu de hoek tussen je doelrichting en het magnetisch noorden op het kompas ingesteld.
Door onderstaande stappen breng je deze richtingshoek over naar het terrein:

- Hou het kompas horizontaal in de hand, zodat via het spiegeltje de kompasnaald in het oog gehouden kan worden.
- Draai het hele lichaam totdat de rode helft van de magneetnaald naar het noordteken wijst. De richtingspijl, en dus de hand waarin het kompas gehouden wordt, wijst nu in de doelrichting.
|
|
|
 |
 |