|
|
6. Het bepalen van de positie
Met behulp van twee zichtbare èn kenmerkende objecten in de omgeving kun je je positie op de kaart bepalen.
Bepaal eerst met behulp van het kompas de richtingshoek:
- Hou het kompas horizontaal in de hand, zodat via het spiegeltje de kompasnaald in het oog gehouden kan worden. Richt het kompas nauwkeurig op het object in de omgeving.
- Draai het kompashuis totdat de rode helft van de magneetnaald naar het noordteken wijst.
Breng vervolgens de richtingshoek over naar de kaart:
- Leg het kompas zo, dat een van de zijkanten langs het object ligt.
- Draai het hele kompas zover dat het noordteken naar het kaartnoorden wijst en de noord/zuid-lijnen parallel lopen aan een verticale lijn van het vierkantennet.
Trek tenslotte een lijn langs de zijkant van het kompas. Ergens op deze lijn bevind je je.
Bepaal de positie van nog een kenmerkend en zichtbaar object in de omgeving op dezelfde manier als het eerste object:
- Bepaal met behulp van het kompas de richtingshoek;
- Breng de richtingshoek over naar de kaart;
- Trek weer een lijn lang de zijkant van het kompas. Op het snijpunt van de twee getrokken lijnen bevindt je je.
|
|
|
 |
 |